Financiële positie

In dit hoofdstuk staan we uitgebreid stil bij onze financiële positie. Dat doen we aan de hand van de volgende onderwerpen:

  • financiële kaders en uitgangspunten
  • huidig financieel beeld
  • financiële ontwikkelingen en risico’s
  • reservepositie

Samenvatting en conclusies

Financiële uitgangspunten
In het coalitieakkoord ‘Durven door te doen’ is gekozen voor een solide financieel beleid met sluitende meerjarenbegrotingen. Er is gekozen voor stabiliteit. We willen kansen benutten als deze zich voordoen. Daarvoor reserveren we ook geld. We vermijden extra bezuinigingen zoveel mogelijk.

Specifieke kaders zijn:

  • Geen automatische prijscorrectie van budgetten.
  • Voor subsidies gaan we uit van alleen een compensatie van loonstijging op basis van de specifieke CAO-ontwikkeling per sector. Dit betekent dat niet-professionele instellingen aan de nullijn gehouden worden.
  • Voor de OZB kiezen we voor een jaarlijkse inflatieverhoging. Voor het jaar 2017 is dat 1,5%. Daarnaast stijgt in 2017 het OZB-tarief voor woningen ongeveer 9% extra (tegelijkertijd verlagen we de afvalstoffenheffing). Dit is conform eerdere besluitvorming.
  • Voor de tarieven van rioolheffing en afvalstoffenheffing gaan we uit van 100% kostendekkendheid.
  • De rente voor reguliere investeringen is 2%. De rente voor grondexploitaties is 1,5%.
  • In de begroting zit jaarlijks een post onvoorzien van € 300.000.

Huidig financieel beeld

  • Op dit moment wordt de structurele financiële ruimte bijna volledig bepaald door de meicirculaire. De huidige financiële positie sluit in 2017 met een tekort van € 1,6 miljoen. In het laatste begrotingsjaar 2020 is dit tekort € 0,7 miljoen. De tussenliggende jaren zijn ook negatief, respectievelijk € 1,1 en € 1,4 miljoen.
  • De reservepositie ontwikkelt zich positief. Binnen de algemene reserve is sprake van een financiële ruimte van € 3 miljoen (op basis van de huidige inzichten rondom de Sociale Verzekeringsbank (SVB)).

Financiële ontwikkelingen en risico’s

  • We hanteren het uitgangspunt dat risico’s in het sociaal domein in principe binnen het betreffende beleidsveld (jeugdzorg, Wmo, Participatiewet) opgevangen worden. Dit voor zover dat maatschappelijk verantwoord is.
  • Ondanks de overschotten op het sociaal domein in 2015 handhaven we het uitgangspunt dat we geld van het Rijk voor het sociaal domein hiervoor reserveren. Als dat mogelijk en haalbaar is gaan we wel over op het 'ontschotten' van de budgetten van de verschillende onderdelen hierbinnen (overschotten op een onderdeel kunnen we dan bijvoorbeeld inzetten om tekorten op een ander onderdeel op te vangen).
  • De risico’s binnen de grondexploitaties blijven actueel hoewel voor diverse projecten verliesvoorzieningen/risicoreserves gevormd zijn. De algemene bedrijfsreserve van het grondbedrijf is ongeveer € 1,8 miljoen te laag. De algemene reserve vormt de achtervang hiervoor.

1. Inleiding

De meerjarige vooruitzichten voor Oss worden voor een groot deel bepaald door de ontwikkeling van de economie en de rijksuitgaven. De Nederlandse economie herstelt zich volgens het Centraal Planbureau (CPB) gestaag, maar niet uitbundig. Het CPB heeft in maart 2016 berekend dat de economische groei dit jaar aantrekt tot 1,8% en volgend jaar tot 2%. De stabiele economische groei gaat samen met een beperkte daling van de werkloosheid naar 6,5% dit jaar. De inflatie blijft laag (0,3% dit jaar).
Hoewel de economie aantrekt kunnen we hier de komende jaren nog niet van profiteren. Economische (beperkte) groei heeft vaak met enkele jaren vertraging pas effect op lokaal niveau. Daarom gaan we er vanuit dat de economische groei de komende jaren geen extra financiële middelen in het gemeentefonds oplevert. Uiteraard geven de circulaires hierover pas echte duidelijkheid.

2. Financiële kaders en uitgangspunten

In het coalitieakkoord ‘Durven door te doen’ is gekozen voor een solide financieel beleid met sluitende meerjarenbegrotingen. Er is gekozen voor stabiliteit. Deze stabiliteit is gekoppeld aan een gematigde lastendruk voor inwoners en bedrijven. In het coalitieakkoord is ook aangegeven dat we op voorhand geen grote investeringsbedragen voor nieuwe ontwikkelingen reserveren. Wel willen we kansen benutten als deze zich voordoen. Extra bezuinigingen vermijden we zoveel mogelijk.
Tegen deze achtergrond gelden de volgende algemene financiële kaders en uitgangspunten:

  • Structurele uitgaven dekken we met structurele inkomsten. Tussentijdse beperkte, niet-structurele, tekorten zijn aanvaardbaar als deze uit reserves afgedekt kunnen worden.
  • Incidentele uitgaven kunnen we dekken met incidentele middelen, bijvoorbeeld reserves.
  • We beperken financiële risico’s zoveel mogelijk. In de jaarrekening dekken we concrete risico's af met voorzieningen, conform bestaand beleid.
  • Landelijke bezuinigingen op beleidsvelden vertalen we in principe door naar de specifieke beleidsvelden en budgetten (voor zover mogelijk en maatschappelijk verantwoord).

Meer specifiek gelden de volgende kaders:

Prijsontwikkeling
Het CPB verwacht in 2017 voor de overheidsuitgaven een prijsontwikkeling van 1,2%. Voor de loonontwikkeling gaan ze uit van 1,9%. In de jaarlijkse meicirculaire van het gemeentefonds krijgen gemeenten altijd geld voor de verwachte loon- en prijsontwikkeling. Dit is echter gebaseerd op een algemene prijsontwikkeling van het bruto binnenlands product. De verwachte inflatie voor de overheidsuitgaven is hoger. Vanuit de meicirculaire zetten we de noodzakelijke bedragen apart om loon- en prijsstijgingen op te kunnen vangen. In de begroting 2017 verhogen we de budgetten niet automatisch voor prijsstijging. We hanteren het beleid van geen prijscompensatie, tenzij dit contractueel afgesproken is of de marktprijzen voor bepaalde kosten/werkzaamheden aantoonbaar gestegen zijn.

Gesubsidieerde instellingen
Bij gesubsidieerde professionele instellingen is in zijn algemeenheid sprake van een 80/20-verhouding tussen het loongevoelige en prijsgevoelige deel van de uitgaven. Voor de compensatie van loonstijging gaan we uit van de specifieke CAO-ontwikkeling per sector. Voor reguliere prijscompensatie hanteren we de nullijn. Dat doen we ook voor de niet-professionele instellingen.

Gemeentelijke belastingen en heffingen
Voor de lastendruk is het uitgangspunt dat deze voor inwoners en bedrijven gematigd blijft. Voor de onroerende zaakbelasting (OZB) stellen we voor het volgende kader te hanteren:

  • Voor de jaren 2017-2020 de OZB-opbrengst verhogen met de prijsontwikkeling. Met als uitgangspunt een 50/50-verhouding tussen het loongevoelig en het prijsgevoelig deel van de gemeentelijke uitgaven verwachten we voor 2017 een gemiddelde inflatie van 1,5%.
  • In 2017 hebben we rekening gehouden met een extra OZB-opbrengst van € 860.000, gekoppeld aan een daling van de afvalstoffenheffing. Aangezien de verlaging van de afvalstoffenheffing volledig ten gunste komt van de inwoners stellen we voor om de verhoging van de OZB alleen door te voeren in de tarieven voor woningen. Dat komt neer op een stijging van ongeveer 9%. Deze stijging van de OZB en de daling van de afvalstoffenheffing is conform eerdere besluitvorming.

De tarieven voor rioolheffing en afvalstoffenheffing zijn in principe kostendekkend.
Op verzoek van de raadscommissie is in 2016 een opinienota opgesteld over het lokale belastingstelsel. De uitkomsten van de discussie hierover vertalen we in een voorstel voor de programmabegroting 2017-2020.

Post onvoorzien
In de begroting hebben we een jaarlijkse post onvoorzien van € 300.000 opgenomen. Dit bedrag kan gedurende het jaar ingezet worden voor incidentele tegenvallers. Criteria daarvoor zijn:

  • onuitstelbaar
  • onvermijdbaar
  • onvoorzienbaar

De verantwoording van de inzet van deze post nemen we op in de reguliere planning- en controldocumenten met vaststelling door de raad.

Rekenrente
De landelijke voorschriften voor het berekenen van rente in de begroting en jaarrekening zijn aangepast. Op basis van de cijfers 2016 leidt dit voor 2017 in principe tot de volgende rentepercentages:

  • Percentage voor reguliere investeringen: 2%. Dit is gebaseerd op de zogenaamde 'renteomslag' waarbij alle rentekosten over de investeringen verdeeld worden.
  • Percentage voor grondexploitaties: 1,5%. Dit is gebaseerd op het gewogen gemiddelde van de rentekosten van de gelden die we daadwerkelijk geleend hebben. In de jaarrekening moeten we uitgaan van de werkelijke rentekosten en -percentages.
  • Percentage voor rentebijschrijving op algemene reserves en reserves voor investeringen: 2%. Dit percentage is gekoppeld aan het gemiddelde percentage van gelden die we daadwerkelijk geleend hebben.

Voor de programmabegroting 2017 actualiseren we deze percentages, mede op basis van landelijke voorschriften. De verlaging van de rente betekent overigens dat de kosten van al geplande investeringen, zoals voor het meerjarig investeringsplan voorzieningen en het centrum, lager worden. Dit effect verwerken we in de programmabegroting.

3. Huidig financieel beeld

Samenvattend

Het huidige financiële beeld laat voor de periode 2017-2020 tekorten zien. Alleen voor 2016 is er een positief resultaat van € 107.000. De huidige financiële positie sluit in 2017 met een tekort van € 1,6 miljoen. In het laatste begrotingsjaar 2020 is dit tekort € 0,7 miljoen. De tussenliggende jaren zijn ook negatief, respectievelijk € 1,1 en
€ 1,4 miljoen.

Dit tekort wordt voornamelijk veroorzaakt door de meicirculaire. Voor de periode 2017-2020 zitten hier flinke nadelen in. Het grootste nadeel zit in 2017, namelijk € 1,7 miljoen. Voor 2018 geldt een nadeel van € 1,2 miljoen, voor 2019 € 1,4 miljoen en voor 2020 € 0,6 miljoen. Alleen in 2016 is er een voordeel van € 0,5 miljoen.
De huidige financiële ruimte wordt verder bepaald door het positieve resultaat vanuit de programmabegroting 2016-2019 en de nadelen vanuit de eerste financiële tussenrapportage. In vergelijking met de meicirculaire gaat dit om beperkte bedragen.

Binnen de algemene reserve is er incidentele begrotingsruimte van € 3 miljoen.

3.1 Structurele begrotingsruimte

Het financieel beeld wordt bepaald door:

  • De meerjarenraming van de programmabegroting 2016-2019.
  • De uitkomsten van de meicirculaire 2016.
  • 3O-ontwikkelingen vanuit de eerste financiële tussenrapportage over 2016 (met focus op doorwerking vanuit de jaarrekening).
  • 3O-ontwikkelingen die pas bij het maken van de programmabegroting 2017-2020 bekend zijn.

In de volgende tabel hebben we de uitkomsten samengevat.

+ is nadeel: hogere uitgaven/lagere inkomsten
- is voordeel: lagere uitgaven/hogere inkomsten
bedragen x € 1.000

Omschrijving

2016

2017

2018

2019

2020

Programmabegroting 2016-2019

-234

-267

-250

-66

-66

Meicirculaire 2016

-455

1.693

1.169

1.392

596

Eerste financiële tussenrapportage 2016

582

199

182

50

133

Financieel kader

-107

1.625

1.101

1.376

663

Toelichting op de tabel

Programmabegroting 2016-2019
Bij de begrotingsbehandeling in november 2015 is de meerjarenraming vastgesteld. Dit leidde tot een positief resultaat in 2016 (€ 234.000) en ook positieve resultaten voor de jaren erna.

Meicirculaire 2016
Samengevat is de uitkomst van de meicirculaire als volgt:

+ is nadeel: hogere uitgaven/lagere inkomsten
- is voordeel: lagere uitgaven/hogere inkomsten
bedragen x € 1.000

Omschrijving

2016

2017

2018

2019

2020

Meicirculaire 2016

-164.854

-162.191

-162.654

-161.849

-161.379

Septembercirculaire 2015

-159.666

-157.440

-156.873

-156.238

-156.238

Saldo

-5.188

-4.751

-5.781

-5.611

-5.141

Totaal af te zonderen

4.733

6.444

6.950

7.003

5.737

Netto ontwikkeling

-455

1.693

1.169

1.392

596

De meicirculaire 2016 van de algemene uitkering uit het gemeentefonds laat ten opzichte van de septembercirculaire 2015 in 2016 een stijging van € 5,2 miljoen zien. Vanaf 2020 is de stijging € 5,1 miljoen.
Hiervan moeten we diverse bedragen afzonderen voor specifieke onderwerpen. Als we daar rekening mee houden hebben we in 2016 een overschot van afgerond € 0,5 miljoen. In de jaren erna krijgen we te maken met de volgende tekorten:

  • 2017: € 1,7 miljoen
  • 2018: € 1,2 miljoen
  • 2019: € 1,4 miljoen
  • 2020: € 0,6 miljoen

Het tekort wordt voor een groot deel veroorzaakt doordat onze kosten voor loon- en prijsstijgingen hoger zijn dan de vergoeding die we hiervoor in het gemeentefonds krijgen.

In bijlage 1 hebben we een uitgebreide toelichting op de uitkomsten van de meicirculaire opgenomen.

Effecten eerste financiële tussenrapportage 2016
De effecten vanuit de eerste financiële tussenrapportage over 2016 zijn negatief. In 2016 is er een tekort van
€ 582.000. Vanaf 2020 is het tekort € 133.000. Voor een toelichting verwijzen we naar de afzonderlijke rapportage.

3O-ontwikkelingen programmabegroting 2017-2020
Na de vaststelling van de kadernota gaan we de programmabegroting 2017-2020 opstellen. Daarbij kijken we naar alle producten van de begroting. Dit zal op onderdelen tot bijstellingen leiden, in positieve en negatieve zin. Een totaalbeeld is op dit moment uiteraard niet bekend maar we verwachten op basis van huidige inzichten (behoorlijke) nadelen op het gebied van beheerkosten Talentencampus/Sibeliuspark en de belastingsamenwerking BSOB. Daarnaast kunnen de risico's (die we hierna bij onderdeel 4 benoemd hebben) een grote impact hebben.

3.2 Incidentele begrotingsruimte

De incidentele begrotingsruimte wordt vooral bepaald door de ruimte binnen de algemene reserve. Het meerjarenbeeld van de algemene vrije reserve ontwikkelt zich naar een bedrag van afgerond € 18 miljoen (inclusief saldobestemming jaarrekening 2015). Dat betekent dat er binnen deze reserve ongeveer € 2 miljoen ruimte zit. Deze ruimte willen we inzetten om nieuwe ambities/projecten te realiseren.
Daarnaast wordt er bij de bestemming van het rekeningresultaat afgerond € 2,3 miljoen in de algemene reserve gestort voor onzekerheden en risico's in het kader van de afrekening van de PGB's met de Sociale Verzekeringsbank. Volgens de laatste informatie van de SVB (begin juni) krijgen we over 2015 nog te maken met extra kosten. Het restant blijft beschikbaar binnen de algemene reserve. We schatten nu in dat de vrije ruimte binnen de algemene reserve dan ongeveer € 3 miljoen is.

4. Financiële ontwikkelingen en risico's

In deze paragraaf beschrijven we de belangrijkste financiële ontwikkelingen en risico’s.
4.1 Budgetten sociaal domein

We hanteren het uitgangspunt dat we risico's in het sociaal domein in principe binnen het specifieke beleidsveld opvangen (jeugdzorg, Wmo, Participatiewet). Dit voor zover dat maatschappelijk verantwoord is.
Op basis van de concept jaarrekening 2015 zien we ten opzichte van de rijksmiddelen voor de uitvoering budgettaire overschotten binnen:

  • de nieuwe taken van de Wmo (Wmo begeleiding en beschermd wonen): € 1,3 miljoen
  • jeugdzorg: € 1 miljoen

We handhaven het uitgangspunt dat we geld van het Rijk voor het sociaal domein hiervoor reserveren. Als het mogelijk en haalbaar is willen we de budgetten tussen de verschillende onderdelen wel 'ontschotten'.
Daarnaast kunnen we nog te weinig analyses maken om de kosten in de toekomst goed door te kunnen rekenen.

Bovendien worden de landelijke budgetten voor jeugdzorg in de toekomst op basis van objectieve maatstaven verdeeld. De invoering van dit nieuwe financieringsmodel betekent voor ons negatieve herverdeeleffecten: ons budget voor jeugdhulp wordt verlaagd, van € 21,8 miljoen in 2015 (prijspeil 2015) naar € 21,7 miljoen in 2016 (prijspeil 2016). Als we rekening houden met de jaarlijkse inflatie is dit een behoorlijke verlaging, waarbij het onzeker is of het zorggebruik in 2016 zich ook op die manier ontwikkelt.

In 2016 zijn we in de regio Brabant-Noordoost niet meer solidair met elkaar: we kopen samen in, maar iedere gemeente betaalt het daadwerkelijke zorggebruik van inwoners uit de eigen gemeente. Bij hoge pieken in zorggebruik en lagere budgetten draagt elke gemeente het risico dus zelf.

4.2 Risico toekomst uitvoering Participatiewet en Wsw

In samenwerking met 11 gemeenten zijn we bezig met een bestuurlijke opdracht over de toekomst van de uitvoering van de Participatiewet en Wsw vanaf 2017. Onderdeel hiervan is de rol van IBN in de uitvoering. Besluitvorming is gepland voor de tweede helft van 2016. Daarna zal duidelijk zijn hoeveel gemeenten, naast de afbouw van de Wsw, ook een deel van de Participatiewet door IBN laten uitvoeren. Concreet gaat het om het plaatsen van een deel van de doelgroep met een loonwaarde tussen de 30 en 80%. Mocht een aantal gemeenten een andere keuze maken dan zal dit consequenties hebben voor IBN. IBN zal de bedrijfsvoering hierop moeten aanpassen. Een exploitatieverlies is op termijn dan niet uitgesloten.
De gemeenten zijn via de gemeenschappelijke regeling Werkvoorzieningschap Noordoost-Brabant eigenaar van IBN. Het Werkvoorzieningschap kan in deze situatie besluiten het exploitatieverlies aan te zuiveren. Voor zover ze dit niet uit eigen middelen kan financieren zijn dit verplichte uitgaven voor de gemeenten. Ook blijven de gemeenten via het Werkvoorzieningschap verantwoordelijk voor de werkgeverslasten van de Wsw-ers die een dienstverband bij het Werkvoorzieningschap hebben.

4.3 Risico’s grondexploitaties

De ontwikkeling van de grondexploitaties is belangrijk voor onze toekomstige financiële positie. Per 1 januari 2016 is de totale boekwaarde ruim € 108 miljoen. Deze boekwaarde moet in de toekomst minimaal ‘terugverdiend’ worden.
Vanuit het meerjarenprogramma grondbedrijf (MPG) blijkt dat er nog toekomstige winsten van € 36,5 miljoen te verwachten zijn (gemiddeld € 1 - € 2 miljoen per jaar). In dit bedrag is rekening gehouden met een afdracht van ongeveer € 15 miljoen voor de afdekking van de kosten van de N329.
Binnen de totale grondexploitaties zijn verliesvoorzieningen en risicoreserves van € 10,6 miljoen gevormd. Het grootste deel hiervan bestaat uit een voorziening en een risicoreserve voor Heesch-West (respectievelijk € 5,6 miljoen en € 2,7 miljoen).

De cijfers voor de woningbouw ontwikkelen zich positiever. In Oss steeg het aantal koopovereenkomsten in de tweede helft van 2015 met 21%. Dit is in lijn met de landelijke stijging. Voor 2016 verwachten we een blijvend hogere verkoop in de woningbouw. Het aantal dagen dat een woning in Oss te koop staat is gedaald van 216 naar 195. Dat is echter nog wel 2 keer zo lang als het gemiddelde in Nederland.
Ook voor de industrie worden de cijfers iets gunstiger. Het vertrouwen bij bedrijven is groot. De groei zit op dit moment vooral bij de maakindustrie als gevolg van een stijging van de bedrijfsinvesteringen. Over de hele linie zien we in Oss een steeds grotere interesse in bedrijfsgrond (zowel kleinere percelen als grotere percelen).
Ondanks de iets gunstigere ontwikkelingen is het belangrijk om de grondexploitaties kritisch te blijven volgen.

4.4 Risico Heesch-West

De totale boekwaarde van dit regionale project is op dit moment € 64 miljoen. Ons aandeel hierin is 30%. Voor dit project hebben we in Oss een verliesvoorziening (€ 5,6 miljoen) en een risicoreserve (€ 2,7 miljoen) gevormd. Het risico in een worse case scenario betekent dat deze boekwaarde afgeboekt moet worden naar een lagere agrarische waarde. Dit betekent een forse afboeking.
De huidige grondexploitatie is gebaseerd op de regionale afspraken in het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) van 2012. We denken echter dat (zeer) grootschalige logistiek een haalbaar en kansrijk uitgangspunt moet zijn. In juni 2016 neemt het RRO een besluit over de regionale ontwikkelingsmogelijkheden. Op basis daarvan wordt er in de zomer een globaal stedenbouwkundig plan gemaakt dat uitgaat van grote kavels, flexibel in te delen, etc.. Daarna kan de grondexploitatie bijgesteld worden. Dat gaat over te verwachten inkomsten (wat doet deze keuze met de uitgifteprijs en het gemiddelde aan uit te geven hectares per jaar) en uitgaven (hoe efficiënt kan het gebied worden ingedeeld, hoeveel verhard oppervlak heb je nog nodig, moet er nog een tweede toegangsweg komen, etc.). We verwachten dat een aangepaste grondexploitatie eind 2016 vastgesteld kan worden.

4.5 Risico vennootschapsbelasting

Sinds 1 januari 2016 zijn we belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Dit betekent dat we vennootschapsbelasting moeten gaan betalen over het resultaat op activiteiten waarbij we fiscaal gezien een onderneming drijven. Door deze kosten krijgen we mogelijk een tekort in de begroting. Op dit moment weten we nog niet wat de effecten zijn. We hebben de inventarisatie van de activiteiten met betrekking tot de invoering van de vpb-plicht afgerond. Alle activiteiten zijn beoordeeld. De activiteiten grondbedrijf, parkeren en bedrijfsafval zijn naar verwachting belastingplichtig. Op basis van onze huidige analyse is het grondbedrijf het belangrijkste onderdeel waarbij we met vennootschapsbelasting te maken krijgen. Voor het grondbedrijf gelden op landelijk niveau zeer specifieke richtlijnen. Ons financieel uitgangspunt hierbij is dat de belasting als extra kostenpost in eerste instantie binnen deze producten opgelost moet worden (dus binnen het grondbedrijf, parkeerbedrijf e.d.). Als dit niet haalbaar is komen de kosten ten laste van de totale begroting.

4.6 Risico invoering nieuwe voorschriften begroting en verantwoording

Er komen nieuwe voorschriften voor de begroting en verantwoording (BBV). De belangrijkste doelen hiervan zijn de versterking van de rol van de gemeenteraad en meer (financiële) vergelijkbaarheid tussen gemeenten. De meeste wijzigingen gaan in vanaf de programmabegroting 2017. Alleen de wijzigingen voor grondexploitaties gelden al in 2016. Op hoofdlijnen zijn de wijzigingen:

  1. Strengere regels voor grondexploitaties (looptijd wordt beperkt tot 10 jaar, rente op basis van werkelijke rente, beperkingen in het toerekenen van kosten, vanuit grondexploitaties geen stortingen meer in groenfondsen, strategische aankopen, bovenwijkse voorzieningen e.d.).
  2. Investeringen in de openbare ruimte moeten in de toekomst geactiveerd worden. Dat betekent dat de jaarlijkse afschrijvings- en rentekosten dan in de begroting komen. Dit is een behoorlijke verandering.
  3. Verplichte regels voor rentetoerekening binnen de producten van de begroting. Daarbij zijn er specifieke voorschriften voor de grondexploitaties.
  4. Verplichte regels over het doorbelasten van overhead aan de producten van de begroting. Daarbij is het verplicht om aan te geven hoeveel overheadkosten in de tarieven voor bijvoorbeeld afval en riolering zijn doorgerekend.  
  5. Verplichte beleidsindicatoren binnen programma’s en financiële indicatoren in de paragraaf weerstandsvermogen.
  6. De jaarlijkse begroting moet gepresenteerd worden in verplichte taakvelden. Dit naast de eigen indeling in programma's.

De invoering van deze voorschriften heeft ook financiële effecten. Dat geldt vooral voor de onderdelen a) tot en met d). We weten nog niet hoeveel, maar het kan wel een grote invloed hebben. Dat inventariseren we de komende tijd.

5. Reservepositie

De volgende tabel geeft een overzicht van onze reservepositie op basis van de jaarrekening 2015.

bedragen x € 1.000

Omschrijving

1-1-2016

Algemene reserves:

- Algemene vrije reserve

19.564

- Algemene bedrijfsreserve grondbedrijf (ABR)

226

‘Beklemde’ bestemmingsreserves

47.504

Vrije bestemmingsreserves

39.800

Totaal

107.094

Korte toelichting

Algemene vrije reserve
De algemene vrije reserve is bedoeld voor de opvang van algemene risico’s en fluctuaties in de rekeningresultaten. De norm voor de algemene reserve is 10% van de algemene uitkering uit het gemeentefonds. Op basis van de begroting 2016 is deze norm afgerond € 16 miljoen. Dit is te splitsen in:

  • reguliere algemene uitkering: € 8,5 miljoen
  • sociaal domein: € 7,5 miljoen (deze norm is inclusief gelden die we als centrumgemeente aan beschermd wonen uitgeven).   

Voor een overzicht van de algemene reserve verwijzen we naar bijlage 2.

Algemene bedrijfsreserve grondbedrijf (ABR)
Het grondbedrijf dekt conjuncturele risico’s af met de algemene bedrijfsreserve. Deze reserve dient als weerstandsvermogen voor het grondbedrijf. De minimale ondergrens van de ABR is € 1 miljoen. Dat bedrag moet beschikbaar blijven, ook in het meest negatieve scenario. In dat meest negatieve scenario gaan we uit van een maximale winstneming van slechts 50% (door vertraging en lagere grondprijzen). Op basis daarvan komt de ABR op € 0,8 miljoen negatief uit. Dat is € 1,8 miljoen te laag.
Deze reserve biedt dus nog maar een beperkte buffer voor toekomstige risico’s. Dat betekent dat de algemene reserve als achtervang dient voor het opvangen van de conjuncturele risico’s.

‘Beklemde’ bestemmingsreserves
Beklemde bestemmingsreserves zijn reserves waarbij de besteding vastligt (geen echte bestedingsvrijheid meer) omdat de inzet ervan gekoppeld is aan investeringen in het verleden. Daarnaast zijn er ook reserves, zoals de reserve Maaslandgas, die elk jaar voor een deel worden ingezet voor de dekking van de reguliere exploitatie.

Vrije bestemmingsreserves
Vrije bestemmingsreserves zijn reserves waar in principe nog bestedingsmogelijkheden zijn. In bijlage 3 hebben we een overzicht van de grootste bestemmingsreserves opgenomen. Deze reserves geven een beeld van de incidentele investeringsruimte in de komende jaren.